
Ten aanzien van de exploitatie van vermogen geldt bovendien dat het recht op ongestoord genot van eigendom, verankerd in artikel 1 EP, meebrengt dat de Staat zich niet ongelimiteerd mag mengen in de keuzes van een burger bij het gebruik of de exploitatie van zijn bezittingen.
Hoge Raad, Kerstarrest, 24 december 2021
Zo overwoog de Hoge Raad in het Kerstarrest van december 2021, het arrest waarmee hij een streep zette door de belastingheffing op spaargeld en beleggingen van particulieren, beter bekend als box 3.
“Niet ongelimiteerd”.
Dit woord veronderstelt een limiet, en dus is de vraag waar die ligt. Wij menen dat het nieuwe box 3-stelsel die vraag opnieuw op scherp zet. Kern van dat stelsel is een vermogensaanwasbelasting: je betaalt elk jaar belasting over de waardestijging van je beleggingen, ook als je niets hebt verkocht en de winst dus alleen op papier bestaat.
Wij zien een serieus risico dat dit stelsel opnieuw in strijd komt met het recht op ongestoord genot van eigendom. Dit keer niet in de situatie waarin mensen een laag of negatief rendement behalen, zoals onder het oude stelsel, maar juist in de situatie waarin zij op papier hoge rendementen behalen en de daarover berekende belasting feitelijk niet kunnen dragen. Wie moet betalen over winsten die alleen op papier bestaan, wordt gedwongen zijn vermogen anders in te richten dan hij zelf zou willen. Hij moet geld apart houden dat hij belegd wil houden, of verkopen wat hij niet kan of wil verkopen.
Precies het soort overheidsbemoeienis waar de Hoge Raad een grens trok.
Een geschiedenis die langer is dan het Kerstarrest
Box 3 staat al meer dan tien jaar op gespannen voet met het Europese recht.
De fiscus rekende jarenlang niet met wat mensen werkelijk verdienden op hun vermogen, maar met een verzonnen, gemiddeld rendement. Al vóór het Kerstarrest oordeelde de Hoge Raad, in arresten uit 2016 en 2019 over oudere jaren, dat die aanpak in strijd kón komen met het Europese eigendomsrecht als het veronderstelde rendement niet meer zonder veel risico haalbaar was. In het Kerstarrest volgde de doorbraak. Het stelsel deugde als geheel niet meer en er moest rechtsherstel komen. In 2024 sneuvelde ook de reparatiewetgeving bij de Hoge Raad, en de hersteloperatie loopt tot op de dag van vandaag door.
Wie deze geschiedenis overziet, zou verwachten dat de wetgever bij het ontwerpen van het nieuwe stelsel niets liever wil dan Europeesrechtelijke risico’s uitsluiten. Maar het Ministerie van Financiën lijkt bereid om zich mogelijk nog een derde keer aan dezelfde steen te stoten.
Het nieuwe stelsel ligt er inmiddels. Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is op 12 februari 2026 aangenomen door de Tweede Kamer en ligt bij de Eerste Kamer. Hoofdregel per 2028 is de vermogensaanwasbelasting, dus jaarlijks afrekenen over de waardeontwikkeling, gerealiseerd of niet. Alleen voor vastgoed en aandelen in startups en scale-ups geldt een vermogenswinstbelasting, waarbij pas bij verkoop wordt afgerekend.
Het lot van dat voorstel is sinds kort onzeker. De Eerste Kamer hield in juni de stemming aan, omdat het kabinet had toegezegd op Prinsjesdag met een novelle te komen. Uit de begin september uitgelekte Prinsjesdagstukken blijkt dat de coalitie het voorstel voorlopig wil parkeren en toewerkt naar een belasting over werkelijk gerealiseerde vermogenswinst. Over het tempo is de coalitie het niet eens. De ene partij wil die winstbelasting zo snel mogelijk, de andere wil er niet nu al miljarden voor vrijmaken, en ambtenaren hebben gewaarschuwd dat een volledige vermogenswinstbelasting pas jaren later uitvoerbaar is. Zolang dat niet is opgelost, blijft het forfaitaire stelsel doorlopen en blijft de aanwasbelasting bij de Eerste Kamer liggen.
Nederland koos daarmee internationaal een uitzonderlijke route. Voor zover wij kunnen overzien kent geen enkel land een brede, jaarlijkse heffing over de ongerealiseerde waardestijging van vrijwel alle beleggingen van particulieren. Waar in het buitenland elementen van aanwasbelasting bestaan, gaat het om afgebakende regimes voor specifieke producten, veelal tegen aanzienlijk lagere tarieven. Dat andere landen deze route mijden, zal een reden hebben.
De parlementaire steun voor de aanwasvariant was al wankel, en dat het voorstel nu wordt geparkeerd bevestigt dat. Maar geparkeerd is niet ingetrokken. Het budgettaire argument is er intussen sterker op geworden: zolang het forfaitaire stelsel doorloopt, loopt de schatkist naar schatting ruim 2 miljard euro per jaar mis. Dat argument dreigt bij oplopende begrotingstekorten zwaarder te wegen dan de kwaliteit van het stelsel zelf, en dat is een gevaarlijke volgorde. Een aanwasbelasting die als kant-en-klare oplossing op de plank ligt, kan bij een volgende begrotingsronde zo weer van die plank komen. Juist nu de coalitie de richting van box 3 opnieuw bepaalt, willen wij een risico belichten dat in het debat tot dusver onderbelicht is gebleven.
De vermogensaanwasbelasting als risicomanagementprobleem
De bezwaren tegen het belasten van papieren winsten worden meestal gevoeld als een kwestie van eerlijkheid. Het voelt niet goed om belasting te betalen over winst die je nog niet hebt.
Wij willen dat gevoel handen en voeten geven, want er zit een juridisch relevant mechanisme achter.
Wie een vermogensaanwasbelasting verschuldigd kan worden, weet pas op 31 december, en afhankelijk van de beschikbaarheid van waarderingen soms pas maanden later, hoe hoog de aanslag wordt. De belastingdruk is daarmee niet zozeer hoog als wel onbeheersbaar en onvoorspelbaar. Wie zorgvuldig met zijn vermogen omgaat, moet daar structureel rekening mee houden. Dit betekent in de praktijk dat hij uit voorzichtigheid een flink deel van zijn vermogen in veilige, direct opneembare beleggingen moet aanhouden, enkel en alleen om een mogelijke belastingaanslag te kunnen voldoen.
De staat wil immers in geld betaald worden, niet in aandelen.
Voor wie toch al voorzichtig belegt, bijvoorbeeld in geldmarktfondsen en obligaties, is dat geen probleem, want het rendement komt grotendeels in cash binnen en een deel daarvan kan opzij worden gezet voor de fiscus. Maar wie geconcentreerd belegt in volatiele aandelen, met koersuitslagen van tientallen procenten per jaar, staat voor een keuze die hij niet zou moeten hoeven maken. Geforceerd spreiden en daarmee bewust een in zijn ogen slechtere portefeuille aanhouden, of het risico lopen dat een papieren winst tot een aanslag leidt die alleen door gedwongen verkoop kan worden voldaan, wellicht op een moment dat de papieren winst al weer verdampt is. Wie die keuze goed wil maken, moet bovendien voortdurend het marktsentiment inschatten. Dat is precies wat een langetermijnbelegger bewust niet wil, en wat zelfs professionals zelden betrouwbaar lukt.
De vergelijking met de erfbelasting, waar de praktijk ook adviseert een deel van de portefeuille snel na het overlijden liquide te maken voor het betalen van de aanslag, gaat hier niet op. Die aanslag is eenmalig en staat in omvang vast op het moment van de erfenis. De aanwasbelasting vraagt daarentegen dat je het hele jaar door, elk jaar opnieuw, geld apart houdt voor een aanslag waarvan je de hoogte nog niet kent.
Dit is een structurele, jaarlijks terugkerende inmenging in de inrichting van het vermogen.
Illiquide bezittingen als scherpste vorm van het probleem
Het wordt nog scherper bij bezittingen die niet of nauwelijks verkoopbaar zijn.
Denk aan iemand wiens vermogen vrijwel geheel bestaat uit aandelen in een familiebedrijf, met overdrachtsbeperkingen in de aandeelhoudersovereenkomst, die leeft van het dividend. Verdubbelt de waarde van het bedrijf op papier, dan kan zelfs uit een verdubbeld dividend de aanslag niet betaald worden. Of denk aan een grote positie in een besloten private equity fonds. Eén financieringsronde op een hoge waardering en er ontstaat een enorme papieren winst, terwijl uitstappen contractueel niet of nauwelijks mogelijk is.
Zulke moeilijk verkoopbare bezittingen zijn in het wetsvoorstel niet uitgezonderd van de aanwasbelasting. Alleen vastgoed en startups en scale ups zijn dat. Het ministerie van Financiën erkent dat een aanwasbelasting en on- of moeilijk verkoopbare bezittingen zich slecht tot elkaar verhouden, maar acht een wetstechnisch helder onderscheid niet mogelijk en wijst voor familiebedrijven op een risico van verboden staatssteun.
In de fiscale literatuur is inmiddels overtuigend betoogd dat die staatssteunanalyse niet dwingend is en dat een uitzondering voor moeilijk verkoopbare of niet-beursgenoteerde vermogensbestanddelen wel degelijk Europeesrechtelijk houdbaar vormgegeven kan worden, bijvoorbeeld door aan te sluiten bij het objectieve criterium van beursnotering. Er ligt dus een werkbaar alternatief op tafel. De keuze om het probleem toch bij de belastingplichtige te leggen, die feitelijk gedwongen kan worden bezittingen te verkopen die hij niet kan of wil verkopen, is daarmee geen wetgevende noodzaak maar een keuze.
En juist als de wetgever een betwistbare keuze maakt, komt de limiet in zicht die het eigendomsrecht stelt aan de vrijheid van de wetgever.
Het spiegelbeeld van 2017
Terug naar het Kerstarrest. De Hoge Raad oordeelde daarin ook dat het oude stelsel de vrije beschikkingsmacht van burgers inperkte, doordat het een verhoudingsgewijs zware financiële last verbond aan de keuze om níet risicovol te beleggen. Het verzonnen rendement duwde de voorzichtige spaarder richting risico.
Onze stelling is dat een vermogensaanwasbelasting precies hetzelfde doet, alleen in spiegelbeeld.
Waar het oude stelsel de voorzichtige spaarder richting risico duwde, duwt de aanwasbelasting de overtuigde belegger richting veiligheid en verkoopbaarheid. Wie volatiel of moeilijk verkoopbaar belegt, draagt een onbeheersbaar fiscaal risico dat alleen door aanpassing van de portefeuille beheersbaar wordt. In beide gevallen is het niet de burger maar het belastingstelsel dat de samenstelling van de portefeuille mede dicteert. Dat de druk nu de andere kant op werkt, maakt de inmenging in de keuzes van de burger bij het gebruik en de exploitatie van zijn bezittingen niet minder principieel.
De vraag is dan of deze inmenging binnen de limiet blijft die de Hoge Raad voor ogen had. Wij pretenderen niet het antwoord zeker te weten. Maar dat het een open en serieuze vraag is, lijkt ons na twee vernietigende oordelen over het box 3 stelsel moeilijk te ontkennen.
Draagkracht is de kracht om een aanslag te dragen
Daar komt een tweede fundamenteel punt bij. De aanwasbelasting rust op de aanname dat een papieren waardestijging inkomen is. Zoals ook in de fiscale literatuur is gesignaleerd, wringt dat met een draagkrachtbegrip waarin inkomen pas draagkracht vertegenwoordigt als het in euro’s wordt genoten waaruit de belasting daadwerkelijk kan worden voldaan.
Draagkracht is de kracht om een concrete belastingaanslag te dragen. En die aanslag moet in geld worden betaald.
Dit is overigens geen onomstreden terrein. Vanuit economische hoek wordt verdedigd dat een papieren waardestijging wél draagkracht vertegenwoordigt. Wie op papier rijker wordt, kan immers verkopen, geld lenen met de beleggingen als onderpand, of elders minder sparen. Een aanwasbelasting voorkomt bovendien dat beleggers de belasting eindeloos uitstellen door simpelweg nooit te verkopen. Dit is een consistent economisch verhaal, maar het veronderstelt nu juist een inbreuk op datgene wat het eigendomsrecht beschermt, namelijk dat de burger vrij is om te kiezen of hij verkoopt, beleent of herschikt. Wie de heffing verdedigt met het argument dat de belastingplichtige zijn bezittingen altijd te gelde kán maken, bevestigt daarmee dat het stelsel hem daartoe feitelijk kan dwingen.
Het uitstelargument verdient daarbij nog een kanttekening. Wie een aandelenportefeuille tientallen jaren aanhoudt, wordt in het publieke debat al snel weggezet als iemand die belastingbetaling uitstelt. Diezelfde persoon doet in werkelijkheid aan lange termijn vermogensopbouw, zoals ook een pensioenvoorziening werkt. Dat is gedrag dat we als samenleving zeggen te willen aanmoedigen, en het verdient een fiscaal stelsel dat het niet ontmoedigt.
De vraag verschuift dan van de economie naar het recht: mag de wetgever die dwang opleggen?
Waar de limiet dan wél ligt, daarvoor moeten we naar Straatsburg. De Hoge Raad toetst box 3 immers aan het eigendomsrecht uit het EVRM, en het is uiteindelijk het Europese Hof voor de Rechten van de Mens dat bepaalt hoeveel ruimte staten hebben bij het heffen van belasting. Die ruimte is groot, maar niet onbegrensd. En in de zaken waarin het Hof de grens trok, keert steeds hetzelfde uitgangspunt terug. Een belasting moet zich verhouden tot wat iemand werkelijk heeft genoten. Deze rechtspraak is in het debat over box 3 nog nauwelijks verkend, terwijl een aantal zaken de lijn goed laat zien.
De eerste is N.K.M. tegen Hongarije uit 2013. Een ambtenaar werd over een deel van haar ontslagvergoeding belast tegen 98%, waardoor de druk over de hele vergoeding uitkwam op ruim de helft. Die vergoeding was nota bene echt inkomen, gewoon in geld ontvangen. Toch oordeelde het Hof unaniem dat het eigendomsrecht was geschonden. Opvallend is waarop dat oordeel rust. Het tarief liet het Hof uitdrukkelijk niet de doorslag geven. Beslissend was dat de heffing haar trof terwijl zij werkloos was, dat zij te goeder trouw had gehandeld, dat een afgebakende groep ambtenaren eruit werd gelicht en dat een overgangsperiode ontbrak. Ook bij werkelijk in geld genoten inkomen kan een heffing dus stuklopen op het eigendomsrecht, en het Hof kijkt daarbij naar de positie waarin de belastingplichtige zelf komt te verkeren.
Nog dichter bij ons onderwerp komt Waldner tegen Frankrijk uit 2023. Een advocaat die zich niet had aangesloten bij een door de Franse fiscus erkend beheersorgaan, waar zelfstandigen hun aangifte laten controleren, zag zijn belastbare inkomen om die reden automatisch met een kwart verhoogd, boven wat hij werkelijk had verdiend. Het Hof stelde vast dat hier automatisch inkomen werd belast dat volgens de aangifte niet was ontvangen, en oordeelde unaniem dat dit het eigendomsrecht schond. Het deed dat wel binnen de bijzondere omstandigheden van het geval: de methode ging in tegen de logica van een aangiftesysteem dat uitgaat van goede trouw, en de automatische verhoging van 25% leverde een onevenredige financiële last op. Als het belasten van 25% verzonnen inkomen al kan sneuvelen, dringt de vraag zich op hoe een stelsel zich houdt waarin de volledige papieren waardestijging als inkomen wordt aangemerkt.
De derde zaak lijkt op het eerste gezicht de andere kant op te wijzen. In de ontvankelijkheidsbeslissing Imbert de Trémiolles tegen Frankrijk uit 2008 liet het Hof de Franse vermogensbelasting in stand, ook al kon de gecombineerde belastingdruk oplopen tot 85% van het inkomen. Maar let op de maatstaf. Die 85% was een wettelijk plafond waarin de vermogensbelasting en de inkomstenbelasting samen werden afgezet tegen het werkelijke netto-inkomen van het voorgaande jaar. Het Hof woog bovendien mee dat de Franse rechter uit de aangiften van de klagers zelf had opgemaakt dat hun vermogen ondanks de heffing elk jaar flink was gegroeid. Van een heffing die hun financiële positie aantastte was dus geen sprake.
Het Hof heeft de Franse vermogensbelasting later ook in een echt arrest in stand gelaten, in Arnaud tegen Frankrijk uit 2015. Dat arrest ging over terugwerkende kracht en over de positie van Fransen in Monaco, en dus niet over de verhouding tussen de heffing en het werkelijk genoten inkomen. Daaruit blijkt vooral hoe ruim de beoordelingsvrijheid van de wetgever in belastingzaken is. Wij verliezen dat niet uit het oog.
Wie deze zaken naast elkaar legt, ziet de rode draad. Het Hof gunt staten veel vrijheid, ook bij hoge tarieven, zolang de heffing verankerd is in inkomen dat er echt is. Verzonnen inkomen belasten mag niet zomaar, en de zwaarte van een heffing wordt gemeten aan wat iemand daadwerkelijk in geld heeft genoten. Een vermogensaanwasbelasting breekt van beide ankers los. Bij een familiebedrijf dat op papier in waarde verdubbelt, kan de effectieve druk op het werkelijke geldinkomen in enig jaar ver boven de 100% uitkomen, zelfs als het dividend sterk stijgt. Hoe het Hof daarover zal oordelen weten wij niet. Maar wie de Straatsburgse lijn doortrekt, ziet dat het nieuwe stelsel precies daar kwetsbaar is waar het Hof eerder grenzen trok.
Ook de schatkist krijgt de volatiliteit terug
Ook de aanname dat een aanwasbelasting de schatkist een stabiele opbrengst garandeert, klopt volgens ons niet.
De opbrengst gaat meebewegen met de beurzen en met geopolitieke ontwikkelingen. In slechte jaren, wanneer de overheid juist meer moet uitgeven, daalt de box 3-opbrengst mee met de koersen. In goede jaren stroomt het geld juist binnen wanneer het het minst nodig is.
Voor de belastingplichtige komt daar nog iets bij, waarop van meerdere kanten in de literatuur is gewezen. Verliezen mogen alleen met toekomstige jaren worden verrekend, niet met eerdere. Eerst afrekenen over de piek dus, en het verlies daarna alleen vooruit mogen wentelen. Het kabinet heeft een carry-back van één jaar als mogelijke ‘verbetering’ genoemd. Voor een langetermijnbelegger biedt ook dat weinig soelaas, want aandelenmarkten kennen cycli die meerdere jaren duren. Wie in het topjaar moet afrekenen over de piek en de verliesjaren daarna alleen vooruit mag wentelen, betaalt per saldo belasting over rendement dat er over de hele cyclus bezien nooit is geweest. En wie het geld voor die aanslag niet vrij heeft, moet verkopen in precies de dalende markt waarin hij juist wil blijven zitten.
Van die stabiele opbrengst blijft in de praktijk dus weinig over.
Sta dus stil bij de limiet
Wij pretenderen niet dat de uitkomst vaststaat. Hoe de Hoge Raad en het Europese Hof over een vermogensaanwasbelasting zullen oordelen, laat zich naar onze mening niet betrouwbaar voorspellen.
Maar dit is precies het punt.
De Hoge Raad heeft de wetgever voorgehouden dat de Staat zich niet ongelimiteerd mag mengen in de keuzes van een burger bij het gebruik of de exploitatie van zijn bezittingen. Een heffing die burgers structureel dwingt tot het aanhouden van geld, tot spreiden of tot gedwongen verkoop, en die papieren winst belast op momenten dat er geen geld tegenover staat, beweegt zich op zijn minst een heel eind in de richting van die limiet. Een wetgever die al meer dan tien jaar worstelt met de Europeesrechtelijke houdbaarheid van box 3, en die nu opnieuw moet kiezen welke kant het op moet, zou deze vraag niet weer onbeantwoord moeten willen laten, totdat de Hoge Raad of het Europese Hof hem beantwoorden.
Zelfs wie aan de aanwasvariant wil vasthouden, ontkomt naar onze mening ten minste niet aan een uitzondering voor niet ter beurze genoteerde en andere moeilijk verkoopbare vermogensbestanddelen. Maar de werkelijke oplossing is principiëler, en ligt evengoed binnen handbereik. Dat is een heffing over werkelijk, in geld genoten rendement. De coalitie lijkt die kant nu op te willen. Wij hopen dat die keuze ook wordt gemaakt vanuit het besef dat er een limiet is, en dat zij daardoor standhoudt als de begroting weer knelt.
Laten we hier als samenleving geen onnodig risico lopen.
Xavier Auerbach en Co van Oostveen zijn verbonden aan Stichting The Floris. Deze bijdrage is een opiniestuk en beoogt het debat over het nieuwe box 3-stelsel te voeden. Het stuk is afgerond vóór Prinsjesdag 2026, op basis van de toen bekende, deels uitgelekte kabinetsplannen.