
Moet Nederland vermogen vooral eerlijker verdelen, of eerst zorgen dat er méér vermogen ontstaat? In deze beschouwing zet Michiel Dill twee invloedrijke economische denkers tegenover elkaar: Thomas Piketty en Mario Draghi. Hun visies blijken minder tegengesteld dan vaak wordt gedacht – en werpen nieuw licht op het actuele debat over box 3.
Het Nederlandse debat over vermogen draait al jaren om dezelfde vraag: hoe verdelen we eerlijker? Het is een goede vraag. Maar er is een tweede vraag die we nauwelijks stellen, en die minstens zo belangrijk is. Wat valt er straks nog te verdelen?
Wie alleen naar de eerste vraag kijkt, ziet een taart die op tafel staat en die te ongelijk is aangesneden. Wie ook de tweede vraag stelt, ziet dat de taart elk jaar gebakken moet worden, en dat de oven het de laatste tijd laat afweten. Beide vragen verdienen een antwoord. Het probleem is dat we de eerste tot inzet van het debat hebben gemaakt en de tweede zijn vergeten. Twee economen helpen om te zien wat er op het spel staat.
Twee diagnoses
De eerste is Thomas Piketty. In Capital in the Twenty-First Century (2013) bracht hij een eenvoudige ongelijkheid onder woorden: zolang het rendement op kapitaal hoger ligt dan de economische groei, groeit bestaand vermogen sneller dan de economie als geheel. Het gevolg is dat vermogen zich opstapelt aan de top. Piketty’s voorstel is navenant: een progressieve, het liefst mondiale belasting op vermogen, in zijn boek aangevuld met een progressieve inkomstenbelasting die aan de top tot tachtig procent kan oplopen. Hij erkende zelf dat zo’n mondiale heffing “politiek onmogelijk” is, maar de diagnose bleef staan en bepaalt tot op vandaag de toon van het gesprek over rijkdom.
De tweede is Mario Draghi. In zijn rapport over Europese concurrentiekracht (september 2024) stelt de oud-president van de Europese Centrale Bank een heel andere diagnose. Europa groeit te traag, investeert te weinig en raakt achterop bij de Verenigde Staten en China. Zonder een forse investeringsimpuls wacht het continent volgens hem een “slow agony”, een langzame teloorgang. Zijn vraag is niet hoe je een bestaande taart verdeelt, maar hoe je voorkomt dat de taart krimpt.
Voormalig ASML-topman Peter Wennink vertaalde die analyse eind 2025 naar Nederland. Zijn cijfers zijn ontnuchterend. Om de stijgende kosten van zorg, pensioenen, defensie en de energietransitie te kunnen dragen, is een economische groei van minstens anderhalf tot twee procent per jaar nodig. De Nederlandsche Bank en het Centraal Planbureau verwachten op middellange termijn slechts een half tot bijna één procent. Het verschil moet komen uit hogere productiviteit, en daarvoor is volgens Wennink de komende tien jaar 151 tot 187 miljard euro aan investeringen nodig.
Geen vijanden
Het is verleidelijk om hier een duel van te maken: Piketty tegen Draghi, herverdeling tegen groei, links tegen rechts. Dat zou gemakkelijk zijn, en het zou onjuist zijn. Toen het Draghi-rapport verscheen, was het Piketty zelf die het verwelkomde. De man van de herverdeling juichte de man van de investeringen toe.
Dat is geen detail. Het laat zien dat de tegenstelling niet gaat over vijandschap, maar over volgorde en prioriteit. Piketty kijkt naar het vermogen dat er al is en vraagt hoe je het eerlijker spreidt. Draghi en Wennink kijken naar het vermogen dat er nog niet is en vragen hoe je het laat ontstaan. Het zijn geen tegengestelde doelen. Het zijn twee bewegingen die elkaar nodig hebben, en de vraag is welke je voorrang geeft.
Want hier zit de spanning. Herverdeling teert op wat er is. Welvaartscreatie maakt dat er meer is om te verdelen. Wie uitsluitend op de eerste knop drukt, kan op korte termijn de uitkomst gelijker maken, maar versmalt op termijn de basis waarop hij staat. Wie alleen op de tweede knop drukt, laat de taart groeien maar accepteert dat de ongelijkheid voorlopig blijft. De kunst is de twee in de juiste volgorde te zetten, en juist die volgorde ontbreekt in het Nederlandse debat.
Box 3 als lakmoesproef
Nergens wordt dat zo concreet als bij box 3. Vanaf 2028 wil het kabinet de belasting op vermogen baseren op het werkelijke rendement. De Tweede Kamer nam het wetsvoorstel in februari 2026 aan, de Eerste Kamer buigt zich er nu over. Als hoofdregel geldt een vermogensaanwasbelasting: ook waardestijging die nog niet is verzilverd, de winst op papier, wordt belast.
Hier komen de twee diagnoses recht tegenover elkaar te staan. Vanuit het Piketty-perspectief is het logisch om vermogensaanwas te belasten, want juist daar stapelt de ongelijkheid zich op. Vanuit het Draghi- en Wennink-perspectief schuilt er een prijs in. Wennink wijst er nadrukkelijk op dat jaren van instabiel beleid een vertrouwensbreuk met investeerders hebben veroorzaakt, en dat herstel van dat vertrouwen de voorwaarde is voor de private investeringen die Nederland nodig heeft. Belasting op niet-gerealiseerd rendement raakt precies het kapitaal dat anders had kunnen worden geïnvesteerd, en treft het hardst de ondernemers en families die in het ecosysteem van groei een sleutelrol spelen.
De Kamer nam het voorstel overigens met tegenzin aan, mede onder druk van een budgettair argument: uitstel zou jaarlijks 2,4 miljard euro kosten. Dat getal illustreert hoe het debat is ingericht. De korte termijn, gemeten in begrotingsjaren, wint het van de lange termijn, gemeten in groei en grondslag. De vraag wat een maatregel doet met het vermogen dat blijft of vertrekt, met de bereidheid om hier te investeren, met de taart van overmorgen, komt nauwelijks aan bod.
De grondslag is geen gegeven
De aanname onder veel fiscale voorstellen is dat de grondslag een gegeven is. Je kunt er harder of zachter in knijpen, maar hij blijft staan. Dat klopt niet. Vermogen en de mensen die het beheren zijn mobiel, en een deel van dat vermogen is tegelijk het zaaigoed van toekomstige groei. Vermogenden zijn vaak ondernemers, en hun kapitaal financiert de bedrijven, de banen en de innovatie waar de bredere economie op draait. Verdwijnt dat kapitaal naar het buitenland, dan verdwijnt niet alleen een stuk belastinggrondslag, maar ook een stuk van het ecosysteem dat welvaart voortbrengt.
Dat is precies het mechanisme dat Wennink beschrijft als hij waarschuwt voor de vertrouwensbreuk. En het is de reden waarom de volgorde ertoe doet. Een land dat eerst de grondslag uitholt en daarna constateert dat er minder te verdelen valt, heeft het doel van herverdeling niet gediend, maar ondermijnd. Een land dat eerst investeert in groei, schept de meerwaarde waarvan de vruchten wél kunnen worden ingezet voor sociale herverdeling. De groei is dan geen alternatief voor rechtvaardigheid, maar de voorwaarde ervoor.
Eerst groeien, dan verdelen
Dit is geen pleidooi tegen herverdeling, en al helemaal niet tegen belasting. Het is een pleidooi voor besef van volgorde. Piketty heeft gelijk dat ongebreidelde vermogensconcentratie een probleem is. Draghi en Wennink hebben gelijk dat een stagnerende economie een groter probleem wordt. Wie beide serieus neemt, komt uit bij een nuchtere conclusie: de hoogste maatschappelijke bate ontstaat niet door zo zwaar mogelijk te belasten, maar door te zoeken naar de combinatie van stabiliteit en de hoogste belastingopbrengst op lange termijn. Dan is de taart het grootst, en valt er het meest te verdelen.
Wennink merkt op dat onze begrotingssystematiek beter zou moeten belonen dat we verder vooruitkijken. Dat is misschien wel de kern. Zolang we vermogensbeleid afrekenen op het begrotingsjaar in plaats van op het decennium, zullen we de taart blijven aansnijden zonder hem te bakken. De vraag voor de politiek is niet óf we eerlijk willen verdelen. Die wil is er. De vraag is of we het geduld kunnen opbrengen om eerst te zorgen dat er iets te verdelen valt.